De stembanden van de gitaar: de toonbalken
Het bovenblad van de gitaar is al voorzien van rozet en klankgat. Het hout is met een vlakschuurmachine geschuurd naar minder dan 3 millimeter. Nu staan we voor een schijnbare tegenstrijdigheid. Het blad moet flexibel genoeg zijn om te trillen en geluid te versterken. Tegelijkertijd moet het stevig genoeg zijn om niet te scheuren onder de enorme trekkracht van de stalen snaren. De oplossing? De toonbalken (of bracing). Dit zijn de stembanden van de gitaar.
De X-bracing: een slimme uitvinding van C.F. Martin Voor deze Martin 00 gebruik ik het klassieke X-bracing patroon. Twee lange vurenhouten balken kruisen elkaar net onder het klankgat in de vorm van een X. Dit patroon verdeelt de spanning over het hele blad.
Rondom deze X komen nog een aantal kleinere balken: de tone bars en de finger braces. Elk balkje heeft een specifieke functie. Ze sturen de luchtstromen in de klankkast. Zo bepalen ze welke frequenties – de hoge of de lage tonen – de overhand krijgen.
Vormgeven met schuurpapier en beitel: “voicing” Dit is het meest intuïtieve werk: het vormgeven van de balken. Dit noemen gitaarbouwers voicing. Met een schuurpapier en een schuurmal krijgen de latjes om te beginnen aan de onderkant een bolle vorm. Deze zorgt er voor dat het bovenblad straks ook een lichte bolling krijgt. De bolling vangt een deel van de trekkracht van de snaren op.
Met vlijmscherpe meubelmakersbeitel haal ik daarna stap voor stap hout aan de bovenkant van de balkjes weg. Ik geef ze daarmee een scalloped vorm. Dat betekent dat ik ze in het midden en aan de uiteinden dunner maak, als een golf. Hierdoor wordt de constructie lichter en flexibeler, zonder dat ze haar stijfheid verliest.
Het verlijmen: geduld op de vierkante millimeter Als alle balken de juiste vorm hebben, moeten ze op het bovenblad gelijmd worden. Dit is een secuur klusje. Omdat ik geen speciale go-bar deck pers gebruik, lijm ik de balkjes één voor één vast.
Ik gebruik hiervoor een combinatie van houten latjes en traditionele lijmklemmen. De latjes verdelen de druk van de klemmen gelijkmatig over de balken. Hierby moet ik voorzichtig te werk gaan. Te veel druk kan het zachte vurenhout indrukken of beschadigen. Elk balkje vraagt om rust, focus en exact de juiste hoeveelheid klemkracht.
Fine-tuning van de braces. Als alle balkjes goed vast zitten kan ik beginnen met de finetuning. Te dikke toonbalken dempen namelijk het geluid. Tijdens het beitelen tik ik regelmatig met een aangeslagen stemvork op het hout (de tap-test). Ik luister naar de resonantie. In het begin klinkt het blad dof en sterft het geluid van de stemvork snel uit. Naarmate er meer hout verdwijnt, begint het blad ineens te ‘zingen’. Er ontstaat een heldere, dragende toon.
Meubelmakers-detail: Als meubelmaker leer je dat alles zo stevig mogelijk moet. Een tafel mag absoluut niet wiebelen, buigen of meeveren als er een pan snert op wordt gezet. Bij een gitaar moet ik die beroepsdeformatie compleet loslaten. De toonbalken zijn geen starre fundering, maar een soort dynamisch veersysteem. Ik ben hier geen onverwoestbare TV-kast aan het bouwen, maar een instrument dat op het randje van instorten balanceert om überhaupt een fatsoenlijke toon te kunnen produceren. Best wel spannend voor een meubelmaker die normaal gesproken zweert bij ‘vast is vast’.
